Lectio Divina – De Hartstocht van Jezus

Pas geleden overdacht ik de hartstocht van Jezus. Ik kwam haar tegen toen ik een Lectio Divina deed over Johannes 2: 12-23.

13 Kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, reisde Jezus naar Jeruzalem. 14 Daar trof hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. 15 Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver 16 en riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ 17 Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’

Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: De hartstocht voor uw huis zal mij verteren. Hoewel het al bijzonder is om te lezen dat de discipelen hierbij met elkaar aan een zin uit Psalm 69 (vers 9) moesten denken, gaat het hier dus om de hartstocht van Jezus voor het huis van Zijn Vader. Hoewel onze eerste associatie hier is dat Jezus woedend was vinden we dat niet in de tekst. Het feit dat Jezus een zweep ter hand nam, tafels omver wierp en tegen duivenverkopers schreeuwde doet dat wel vermoeden. Maar het gaat hier dus om qin’ah, wat NBV vertaald met hartstocht. SV, NBG en WV kiezen voor ‘ijver’. Dit hebreeuwse woord is inderdaad te vertalen als ‘ijver’ of ‘hartstocht’. Maar ook jaloezie, passie. We vinden dit woord in de schrift het vaakst in de context van jaloezie. God is jaloers, wanneer we andere goden achterna gaan. Het is een vurige, passievolle jaloezie die we hier bij Jezus zien.

Toen ik dit beeld toeliet in mijn voorstellingsvermogen was Jezus in eerste instantie niet woedend, maar deed Hij het met tranen in Zijn ogen. Huilend nam hij een zweep ter hand en joeg hij de handelaren de tempel uit.

De vurige passie voor het huis van Zijn Vader verteerde Hem.

En toen ik wat bleef ‘vertoeven’ op dat beeld keek Jezus mij aan. Met tranen in Zijn ogen vroeg Hij me wat er allemaal op mijn tempelplein te vinden is. Mijn tempelplein. De schrift leert ons dat ons lichaam een tempel mag zijn voor God (1 kor 6:19). Een tempel is een plek van ontmoeting. De plek waar ik kom om de Vader te ontmoeten en te aanbidden. En mijn ‘tempelplein’ is bedoeld om puur en zuiver te zijn voor Hem. Alle aandacht gaat naar Hem uit. Maar zo leeg was mijn tempelplein niet. Er stonden allemaal handelaren en geldwisselaars om mijn aandacht te vragen. En ze weerhielden mij van ontmoeting. En toen ik vroeg aan Jezus wat deze kraampjes op mijn tempelplein betekende, begon Hij mij een paar te laten zien.

Het kraampje van de twijfel – Bij de ingang van de tempel stond een kraampje met een bord ‘twijfel’. Twijfel weerhield me er vaak bij de ingang al van om binnen te gaan. Twijfel. We hebben er allemaal mee te maken, in meer of mindere mate. Ik in ieder geval wel. Maar hoe ga ik met mijn twijfels om? Laat ik me bij ingang al vertellen dat het geen zin heeft om naar binnen te gaan? Ik vroeg Jezus of hij dit kraampje omver wilde werpen.

Het kraampje van het zelfbewustzijn – In een tempel draait het om God. Hij is de meerdere, ik kom om te aanbidden. Maar zo vaak ben ik vooral heel erg bewust van mijzelf. Hoe ik reageer, wat ik ervan vindt. Hoe ‘geestelijk’ ik wel niet ben. En voor ik het weet ben ik blijven plakken bij het kraampje van het zelfbewustzijn, waar ik meer met mezelf bezig ben met mezelf dan met God.

Het kraampje van de schuld en schaamte – Op dit kraampje stonden alle zonden uit mijn verleden uitgestalt. Mijn trots, hebzucht, lust, afgunst, onmatigheid, woede, mijn luiheid. En zolang ik mijn ogen daarop gericht hield kon ik niet vrijmoedig en met een ‘vergeven’ hart naderen, maar vulde mijn leven zich met schuld en schaamte. Een station waar God me niet geroepen heeft om te blijven. Hij wil dat ik bij Hem ben. Zonder schuld, zonder schaamte. Maar helemaal vrij en open om Zijn schoonheid te bewonderen.

Het kraampje van de aanklager – In mijn beeld stond dit kraampje midden op het tempelplein. Het was ook meer een ‘stand’ dan een kraampje. Een groot podium waarvan iemand bezig was mij op alle manieren te weerhouden God te aanbidden en te ontmoeten. Je bent niet goed genoeg. Je bent het niet waard om God te ontmoeten. Ga eerst nog even lang het kraampje van de zelfbewustzijn voor wat meer zelfkennis. Of je bent nog niet lang genoeg bij het kraampje van schuld en schaamte geweest. Daar moet je vooral lang blijven staan om alle schuld en schaamte diep tot je door te laten dringen. Zo diep, dat alle moed om God te zoeken en te vertrouwen ergens diep in je binnenste is teruggetrokken. Je hebt niet zoveel tijd. Er is een drukke dag voor de boeg. God luistert toch niet. Heb je niet de brochures gezien van het kraampje van de twijfel? Je kan je toch niet concentreren, dat weet je toch?

Verder trof ik nog aan, het kraamje van de jachtigheid (je hebt geen tijd), het kraampje van de luiheid (je hebt geen zin), het kraampje van de zelfingenomenheid (kijk mij toch eens goed bezig zijn), het kraampje van ‘met de oren en ogen van een ander’ komen (Dit moet Jan lezen!), het kraampje van de zorgen (meer met mijn zorgen bezig dan met de God die ze overstijgt) en het kraampje van de zonde (houd ik bewust vast aan zonde?).

En Jezus wil mijn kraampjes omver werpen. De passie die Hij heeft voor het huis van de Vader. Maar wat mijn tempelplein betreft moet ik Hem wel toelaten. Want anders gooit Jezus ze misschien om, maar staan ze er morgen weer. En dat is een proces. Maar elke ontmoeting weer een niveautje dieper.