Kan God een steen scheppen die zo zwaar is dat hij Hem zelf niet kan tillen?

Want als Hij dat kan is Hij niet almachtig. En als Hij dat niet kan is Hij ook niet almachtig. Oftewel, dit gaat niet over God, maar over het feit dat het begrip almacht maar een menselijke uitvinding is toegeschreven aan God. Het woord ‘almacht’ of ‘almachtig’ komt als zodanig ook helemaal niet in de bijbel voor.

Angstige gedachte?

Ik sus mezelf nu met de woorden uit Jesaja 55:9. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten hoger dan uw gedachten. Het zijn maar menselijke pogingen over God na te denken. Ik twijfel niet aan God. Ik twijfel aan onze woorden over God.

Dat God almachtig is stamt ook vooral uit het Griekse denken en niet zozeer uit het Joodse. Ik stuitte pas tegen een prachtig verhaal over het ontstaan van de Septuagint (de eerste Griekse vertaling).

Toen koning Ptolomaeus het plan opvatte om de Hebreeuwse bijbel in het Grieks te vertalen nodigde hij 70 wijze Joodse Grieken uit hieraan mee te werken. Tijdens het vertaalwerk stootten zij echter op dezelfde moeilijkheid: hoe vertalen we de twee belangrijkste namen van God: “Jahweh Seba’ot” en “El Sjadaj”? El, het algemene woord voor God, is: Theos. En Jahweh vertaalde iedereen met Kurios, het Griekse woord voor heer. Maar Seba’ot en Sjadaj? Wat zeggen die over God? En hoe vertalen we dat? Seba’ot kan zoveel betekenen als: “menigten” van sterren, van engelen, demonen, schepselen, legermachten… En dan die onvertaalbare naam Sjadaj…Iets met macht, sterkte, kracht, maar ook een tedere zorg, liefde en omzien.

Het werd: Panto-krator,  de Almachtige.

Er waren natuurlijk op die manier wel enige nuances verloren gegaan, maar een sterke demonstratie van eenheid van God tegenover de veelheid van Griekse goden, was geen slecht alternatief! Zo stemden alle zeventig in, op één na: “Rabbi Simeon”. Hij had als enige iets heel anders voor “Sjadaj?. Wat dan? Vroegen de geleerden hem.

Toen vertelde Rabbi Simeon zijn verhaal.

Ik begon aan mijn opdracht: het boek Ruth, Ezechiël 1-10 en enkele gedeelten uit Job. Elk woord nam ik voorzichtig in handen het aftastend naar zijn betekenis om het dan weer terug te leggen op zijn plaats en over te zetten in de Griekse taal. Totdat ik, voor het eerst, kwam bij de Naam, die wonderlijke: El Sjadaj. Vol eerbied schreef ik: “Theos” voor “El”…Toen nam ik het woord “Sjadaj” ter hand en ik werd diep ontroerd dat ik de Naam van de Heilige, zo mocht aftasten op zijn betekenis… Maar plotseling viel het woord mij uit de handen op de grond, in stukken. Beschaamd en vol tedere zorg raapte ik de beide stukken op. Daar zat ik met de stukken, in elke hand één: in de ene Sja en in de andere daj. Ik keek van links naar rechts en van rechts naar links en nog eens en nog eens…En ineens zag ik het als door een hemelse ingeving wat die geheimvolle naam, zo kwetsbaar en gebroken, betekent: Sja=Die… daj=genoeg…En gehoorzaam en ontroerd schreef ik met betraande ogen:

Hikanos, “Die Genoeg is”.

Maar soms schreef hij toch ook gewoon: Theos of Kurios, om te laten horen, dat God, de HEER het is die Genoeg is voor ons en onze kinderen. En zo zou het komen dat er voor die twee namen van God: Jahweh Seba’ot en El Sjadaj 160x Pantokrator in de griekse bijbel staat maar toch ook soms Hikanos, zij het maar 16x…