Het Koninkrijk van God (2) – Sinaï

De afgelopen tijd hebben we bij NSA nagedacht over het Koninkrijk van God. Ik heb het thema afgetrapt met een toespraak op het verenigingsweekend waarna op twee kringavonden is nagedacht over het onderwijs van Jezus over het Koninkrijk van God. Ik ben begonnen deze toespraak in vier korte posts te gieten onder de kapstok die ik ook in mijn toespraak gebruikte. Namelijk de reis van Egypte naar Sinaï. Door naar Jeruzalem en eindigend in Babylon.

In deze post: Sinaï

Sinaï, is net als Egypte een plaats vol betekenis. Voor Joden meer dan een geografische plek. Het is de plek waar God een relatie aangaat met een volk. Voor het eerst in de geschiedenis openbaart God zich aan een volk. Voor het eerst in de geschiedenis vertelt God Zijn naam: YHWH, IK BEN DIE IK BEN of IK BEN DIE IK ZIJN ZAL. Het Goddelijke en het menselijke ontmoeten elkaar. Als in een huwelijk. En God heeft een roeping voor Israel. De roeping is om te zijn als een priesterlijke natie. Een priester is iemand die bemiddelt tussen God en mens. Een priester handelt namens God. Een priester laat zien wie God is. En God zoekt een priesterlijke natie. Een natie die laat zien wie God is.

God zoekt een lichaam.

Maar we moeten in ons achterhoofd houden dat dit volk niet zomaar een volk was. Dit volk had net 400 jaar in slavernij geleefd. In Egypte. In gebondenheid. In onderdrukking. Fundamenteel Anti-koninkrijk. Fundamenteel anti-mens. Dit volk moest opnieuw leren wat het betekent om mens te zijn. Om eer te doen aan de roeping die God voor de mens heeft. God begint hier op de Sinai opnieuw zijn volk te leren wat het betekent om mens te zijn. God wil een priesterlijke natie. Een heilige natie. Niet een natie gevormd door hebzucht, geweld of misbruik maar door compassie, rechtvaardigheid en zorg voor elkaar. Het is vanuit dit verlangen dat de ‘wet’ wordt geboren. Wij vertalen het woord ‘torah’ vaak (of eigenlijk altijd) met ‘wet’ maar een betere vertaling is ‘instructies’. Deze instructies, en in het bijzonder de tien geboden, worden soms afgeschilderd als strikte regels van een strikte God. Maar met de slavernij in hun achterhoofd, in hun systeem, in hun denken, had dit volk het hard nodig om opnieuw te leren mens te zijn. De instructies van God zitten vol met liefde, genade, goedheid, vriendelijkheid en geduld. Neem alleen de tien geboden. Je ouders eren? Voor ze zorgen als ze zelf niet meer kunnen werken. Of de Sjabbat in ere houden. Neem je rust. Werk, maar trek je ook terug uit je werk om te rusten, te bezinnen, te reflecteren, te groeien. Geen moord, overspel, diefstal, leugen, hebzucht. Het zijn dingen die een gemeenschap van binnenuit kapot maken. God wil Israel leren wat het betekent om een priesterlijke natie te zijn om Hem te ‘belichamen’. Mens-zijn is uitleven wie God is.

Gods wetten zijn vensters in het hart van wie Hij is. In het hart van Zijn karakter.

Zo mogen Israelieten elkaar geen rente rekenen (ex 22:24). Als je buurman zijn jas neemt als onderpand moet je het s’avonds teruggeven zodat hij erin kan slapen (ex 22:25). Mishandel een vreemdeling niet, want jullie waren vreemdelingen. (ex 23:9) Misbruik de weduwe of de wees niet. Ontzeg geen gerechtigheid aan de armen (ex 22:21). Zo zijn er talloze voorbeelden waaruit we proeven dat God bezig is het volk te leren om wat het opnieuw betekent om mens te zijn. We krijgen hier al een inkijkje in het koninkrijk. Een blauwdruk van hoe het bedoelt was.

Sinaï is de plek waar God een relatie aangaat met een volk. Een verbond. Een koninkrijk.