Het dictaat van de zelfverbetering (en hoe het bewerkt dat we onszelf nooit accepteren)

Ik accepteer mijzelf gewoon zoals ik wordt. Dat was de titel van de voorstelling waar ik aansluitend een korte lezing op mocht verzorgen. Theater, Lezing, Borrel, het is de trits die onder de naam ‘happening’ in veel Navigatorsteden met succes eens in de zoveel tijd wordt opgevoerd. Gisteravond in Wageningen. De voorstelling was geschreven naar aanleiding van een uitgebreid artikel van Filosoof en Hoogleraar Ethiek Frits de Lange over wat hij noemt ‘het dictaat van de zelfverbetering.’ Ik keek toevallig die week een film die ik lange tijd al wilde zien maar nog steeds niet had gezien. Fantastische film die het tegenovergestelde probeerde te vertellen van wat deze voorstelling over onze huidige samenleving aan het licht probeerde te brengen. Een letterlijke qoute van Tyler Durden (gespeeld door Brad Pitt) in de film was: Self improvement is masturbation. Ik heb het over de film ‘Fight club’. De hoofdrolspeler is een verzekeringsinspecteur die aan chronische slapeloosheid lijdt, en die wanhopig probeert uit zijn oersaaie bestaan te ontsnappen. Bij toeval ontmoet hij Tyler Durden, een charismatische zeepverkoper met een bizarre levensfilosofie. Tyler gelooft namelijk dat “zelfverbetering” enkel voor de zwakken is, het is “zelfvernieling” dat het leven de moeite waard maakt. Samen met Tyler organiseert hij de ultieme vorm van ontspanning: zogeheten “Fight Clubs”, waar gewone jonge mannen het beest in zichzelf loslaten in ‘zelfvernielende’ blotevuistgevechten. Het bevrijdende effect op de deelnemende mannen doet een vreemd soort kameraadschap ontstaan, dat al snel gevaarlijke vormen aanneemt. Maar ik geloof dat zowel zelfvernietiging (wat een groter probleem is dan veel mensen denken) als de voortdurende drang naar zelfverbetering beide wel eens voort zouden kunnen komen uit hetzelfde probleem: een gebrek aan zelfacceptatie.

En een gebrek aan zelfacceptatie leid haast onherroepelijk tot depressie. Depressie is hard op weg volksziekte nummer 1 te worden, schrijft Trudy Dehue in haar publicatie ‘De depressie-epidemie’. Tussen 1993 en 1998 nam het aantal depressieve stoornissen toe met 63 procent en het aantal recepten voor antidepressiva met 278 procent. In 1993 schreven huisartsen bij depressieve klachten na het eerste consult in 63 procent van de gevallen antidepressiva voor, in 1998 was dat opgelopen tot 73 procent. Het gebruik van antidepressiva is van 1999 tot 2006 weer verdubbeld. In 2006 waren er in Nederland zo’n 1 miljoen gebruikers, 6 procent van de bevolking. En Dehue wijst op een mogelijke oorzaak van deze ‘depressie-epidemie’. Het is niet langer de strijd met anderen die we verliezen, maar vooral de strijd met onszelf:

Dehue wijst voor een beter begrip van de depressie-epidemie  op nog iets anders, ook al hoedt ze zich voor het leggen van rechtstreekse oorzakelijke verbanden. De opkomst van de depressie moet volgens haar op een of andere manier samenhangen met het morele dictaat van de neoliberale cultuur dat het individu voorschrijft het lot in eigen hand te nemen. Het feit dat ieder zelf verantwoordelijk is om zichzelf tot iemand te maken die in de ogen van anderen en van zichzelf iets voorstelt, is misschien wel de depressogene factor bij uitstek. Elk individu wordt vandaag geacht zijn eigen onderneming te zijn, de manager van zijn eigen levensloop.  Initiatiefrijk, energiek, gemotiveerd, flexibel, stressbestendig,  communicatief, risico nemend – het zijn niet meer de ideale eigenschappen om in het midden- en kleinbedrijf te slagen, maar de minimale voorwaarden voor iedereen om het te redden in het leven.

Toen ik zelf de voorstelling zag in Amsterdam, waar deze ook is getoond, was ik best wel even geraakt. De hoofdpersoon had verdacht veel overeenkomsten met mij… In de voorstelling staat eigenlijk maar een persoon centraal. Geen naam, gewoon ‘ik’. Maar hij heeft een aantal ‘karakters’ opgericht om zijn leven als het ware te organiseren. Zo is er een speler die zijn ‘planning en controle’ verwoord. Een andere heet vermogensbeheer, weer een ander ‘public relations’, ‘interne zaken’ en ‘POP’ (zijn persoonlijke ontwikkelings plan). Tijdens de voorstelling helpen deze ‘karakters’ hem om zijn leven optimaal te benutten, zijn doelen te bereiken, zichzelf maximaal te presenteren, kortom zichzelf alsmaar te ontwikkelen tot een mooier, beter, wijzer, aantrekkelijker, rijker persoon. Totdat ‘ik’ niet durft. Dan valt pop hem keihard af. Ze klinkt opeens wel heel ‘bitchy’ als ze zegt: “statuut 8: ik ken geen angst. Als ik toch angst ervaar beschouw ik dat als een kortsluiting in mijn systeem wat genegeerd moet worden”. Enerzijds geloof ik deels in de maakbaarheid van persoonlijk succes. Je kunt het! Het is die persoonlijke drive waarmee Lance Armstrong zijn ziekte overwon. Het is de kracht waarmee we stoppen met roken, de discipline opbrengen om te studeren, of persoonlijke doelen te halen. Maar wat als het niet lukt? Ik ben een tijd erg enthousiast geweest (en nog steeds enthousiast) over de ‘Seven habits of highly effective people’ van Stephen Covey. Een boek wat je ontzettend uitdaagt om het heft in eigen te hand te nemen. En daar is ook niet mis mee. Begrijp me niet verkeerd, ik ben nog steeds enthousiast over de uitnodiging om proactief in het leven te staan en op die manier dingen te bereiken. De voorbeelden als Lance Armstrong zijn prikkelend. Maar waar ik op een gegeven moment wel een beetje op stukliep was dat de belofte dat ik alles maar kan bereiken zolang ik maar wil niet waar bleek te zijn. Frits de Lange schrijft:

Doorgaans laten we onze zelfwaardering  sterk afhangen van wat we in de ogen van anderen waard zijn – bang voor hun oordeel. ’Statusangst’, noemt de Britse schrijver Alain de Botton dat. Maar zelfs als ons door anderen niets dan lof toe wordt gezwaaid, dan nog zijn we ongelukkig met onszelf. Meer nog dan in de veeleisende ogen van anderen, bestaan we in de oneindig ontevreden ogen van onszelf. Vandaar dat we onze doelen voortdurend bijstellen, telkens ietsje hoger, ietsje verder. Wie tevreden is met zichzelf, is een loser.  ’Overtref jezelf’, is het motto waarmee jonge mensen naar de Hogeschool Rotterdam worden gelokt; met minder moet je geen genoegen willen nemen. De fitnessruimte is een fraai voorbeeld van deze cultuur:  een ruimte waar je met anderen samenkomt, maar alleen om er de wedstrijd met je eigen lichaam aan te gaan. Je meet je niet openlijk met de prestaties van degene naast je op de loopband, maar bespiedt heimelijk zijn performance.

Wat als het maar niet wil lukken om te stoppen met roken of te stoppen met die verstikkende relatie… Wat als die studie maar niet wil lukken omdat je jezelf er maar niet toe kunt zetten? Soms worden we letterlijk ziek van de competitie met onszelf… Is het leven echt zo maakbaar als alle zelfhulpboeken, alle Stephen Covey’s en Oprah Winfrey’s ons willen doen geloven? Dat de sleutel tot een gezonde kijk op zelfverbetering ligt in zelfacceptatie zullen de meeste mensen wel met me eens zijn. Maar dat is tegelijk het probleem. We kunnen onszelf vaak pas accepteren als we doen wat we van onszelf moeten doen, als we onze doelen halen. En als dit vervolgens niet lukt komen we in een impasse terecht. Maar waar kunnen we die acceptatie dan wel op baseren? Wat legitimeert mijn acceptatie. We hebben een legitimiteit nodig die buiten onszelf ligt. Een van de diepste mysterien, een van grootste bronnen van hoop waar christenen uit putten is dat ze geloven in een schepper, een God die in de persoon van Jezus tegen mensen zegt: ik accepteer jou en ik hou van jou, precies zoals je bent. Met al je falen. Ook al lukt het stoppen met roken niet en vind je het lastig om van die zak chips af te blijven terwijl je af wil vallen. Ook al lukt het niet om 30 minuten achtereen te rennen op de loopband in het fitnesscentrum. Ja zelfs in de competitie met jezelf, ook al heeft die stem in jou soms zulke hoge eisen, horen we stem van de Vader die zegt “Je bent geliefd en geaccepteerd”. Het is het wonder van geloven in een God die accepteert en liefheeft zoals we zijn. Niet zoals we willen worden. En dan ontdek ik een geheim. Niet het uitzichtloze dictaat van de zelfverbetering maar een diep besef van acceptatie blijkt de bron van verandering.